ECLI:NL:CRVB:2018:4054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante diende op 10 april 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende haar bij besluit van 31 augustus 2016 een toeslag toe van €50,-, gebaseerd op de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de hoogte van de toeslag onvoldoende gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het hanteren van één toeslag voor alle leefvormen onevenredig is, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm voorschrijft.
De Raad concludeerde dat de Verordening voldoende gemotiveerd is en dat de keuze voor één toeslag voor alle leefvormen standhoudt onder de terughoudende toetsing van algemeen verbindende voorschriften. De gronden van appellante kwamen overeen met eerdere afgewezen beroepsgronden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.