ECLI:NL:CRVB:2018:4055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellant vroeg op 10 april 2016 een individuele inkomenstoeslag aan bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college kende op 31 augustus 2016 een toeslag toe van €50,-, gebaseerd op de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen bij besluit van 2 maart 2017. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de toeslag bedoeld is om armoede te bestrijden, maar dat de Verordening niet motiveert hoe de hoogte van €50,- aansluit bij het armoedebeleid. Tevens wees appellant op de onevenredigheid van één toeslag voor alle leefvormen, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm voorschrijft. De Raad oordeelt dat de Verordening gemotiveerd is en dat de keuze voor één toeslag voor alle leefvormen standhoudt onder de terughoudende toetsing van algemeen verbindende voorschriften.
De Raad ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in eerdere vergelijkbare zaken en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van één uniforme individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm.