ECLI:NL:CRVB:2018:407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-naleving inlichtingenplicht over verblijfplaats
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en gebruikte als postadres een maatschappelijke opvang. Na een retour gekomen brief startte het college een onderzoek waaruit bleek dat appellant sinds september 2014 niet meer op dat adres verbleef. Het college schortte de bijstand op en vroeg om bewijsstukken over zijn verblijfplaats, die appellant niet aanleverde. Vervolgens trok het college de bijstand per 1 oktober 2015 in.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond omdat het opschortingsbesluit niet correct was bekendgemaakt, waardoor appellant geen kans kreeg het verzuim te herstellen. Het college moest een nieuwe beslissing nemen. In hoger beroep stelde appellant dat het college de uitspraak niet had uitgevoerd. Het college handhaafde de intrekking op grond van het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De Raad oordeelde dat appellant geen belang had bij het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk was. De Raad toetste het nader besluit en concludeerde dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn verblijfplaats. Het opgegeven adres was niet bewoonbaar door sloopwerkzaamheden en appellant onderbouwde zijn zwervend bestaan niet. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen en was intrekking terecht.
De Raad paste artikel 6:22 Awb Pro toe om het gebrek in het nader besluit te passeren en liet het besluit in stand. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de door appellant gemaakte reiskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van bijstand blijft in stand wegens onvoldoende naleving van de inlichtingenplicht.