ECLI:NL:CRVB:2018:4071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante diende op 9 april 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag, die aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na bezwaar kende het college alsnog een toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante in hoger beroep stelde dat de hoogte van de toeslag van € 50,- onvoldoende gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het hanteren van één toeslag voor alle leefvormen onevenredig is, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen blijken dat de wetgever differentiatie in de hoogte van de toeslag heeft beoogd of een minimum- of maximumhoogte heeft vastgesteld. De Raad concludeerde dat de keuze voor één uniforme toeslag voor alle leefvormen binnen de Verordening niet in strijd is met de wet of het armoedebeleid van Rotterdam. De ingebrachte beroepsgronden zijn vergelijkbaar met eerdere zaken waarin de Raad hetzelfde oordeel gaf.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.