ECLI:NL:CRVB:2018:4072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante diende op 10 april 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag, die aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na bezwaar kende het college alsnog een toeslag toe van €50,- op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de toeslag onredelijk was omdat deze niet was gemotiveerd in relatie tot het armoedebeleid en dat de uniforme toeslag voor alle leefvormen onevenredig was, met name voor gezinnen met kinderen.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de wetgever geen minimum of maximum hoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm vereist is. De Raad vond dat de verordening voldoende gemotiveerd is en dat de keuze voor één toeslag passend is binnen de terughoudende toetsing van algemeen verbindende voorschriften.
De Raad zag geen reden om anders te oordelen dan in eerdere vergelijkbare zaken en bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak dat de uniforme individuele inkomenstoeslag rechtmatig is en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.