ECLI:NL:CRVB:2018:4085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante heeft op 13 mei 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende haar deze toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de toeslag van €50,- onvoldoende gemotiveerd is in relatie tot het armoedebeleid en dat het onredelijk is dat er geen differentiatie is naar leefvorm, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm voorschrijft. Ook is de motivering van de hoogte van de toeslag in de Verordening voldoende. De Raad ziet geen reden om anders te oordelen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.M.G. Hink op 13 december 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het college Rotterdam om één uniforme individuele inkomenstoeslag toe te kennen zonder differentiatie naar leefvorm.