ECLI:NL:CRVB:2018:4091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellant heeft op 10 mei 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag, die aanvankelijk werd afgewezen maar later bij besluit van 23 december 2016 alsnog werd toegekend door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de hoogte van de toeslag van €50 niet gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het hanteren van één toeslag voor alle leefvormen onevenredig was, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken van 23 oktober 2018 waarin is geoordeeld dat noch de Participatiewet noch de Wet werk en bijstand een minimum- of maximumhoogte van de toeslag voorschrijven, noch differentiatie naar leefvorm beogen. De Raad oordeelt dat de Rotterdamse verordening voldoende gemotiveerd is en dat de keuze voor één toeslag voor alle leefvormen de terughoudende toetsing kan doorstaan.
De Raad ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in de eerdere zaken en bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van een uniforme individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm.