ECLI:NL:CRVB:2018:4102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante heeft op 8 april 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag, die aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na bezwaar kende het college alsnog een toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de hoogte van de toeslag van €50 niet gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het onredelijk was om één toeslag voor alle leefvormen toe te passen, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad oordeelde dat uit de wetsgeschiedenis van de Participatiewet en de Wet werk en bijstand niet blijkt dat de wetgever een minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd, noch dat differentiatie naar leefvorm vereist is. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin deze punten uitvoerig zijn behandeld en concludeerde dat de Verordening en de hoogte van de toeslag niet in strijd zijn met de wetgeverbedoeling.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.