ECLI:NL:CRVB:2018:4109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellant diende op 31 mei 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college kende op 1 september 2016 een toeslag toe, gebaseerd op de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de hoogte van de toeslag van € 50,- onvoldoende gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het hanteren van één toeslag voor alle leefvormen onevenredig was, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte voor de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm voorschrijft. De Raad vond de motivering van de hoogte van de toeslag in de Rotterdamse verordening toereikend en zag geen grond voor terughoudende toetsing van het algemeen verbindend voorschrift. De gronden van appellant waren vergelijkbaar met eerdere zaken waarin de Raad geen aanleiding zag tot een ander oordeel.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.