Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
bedrag van € 2.500,-;
van totaal € 166,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als huishoudelijke hulp en ontving een loongerelateerde WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2012 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor haar WIA-uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden haar beroep ongegrond.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die enkele aanpassingen adviseerde in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na aanpassing concludeerde de arbeidsdeskundige dat de geselecteerde functies medisch passend waren. Appellante voerde aan dat zij vanwege longklachten en blootstelling aan prikkelende stoffen niet geschikt was voor deze functies, maar de Raad vond de onderbouwing onvoldoende.
De Raad oordeelde dat het UWV het besluit in strijd met de Awb niet zorgvuldig had gemotiveerd, maar dat dit gebrek werd gepasseerd omdat het besluit ook met een juiste motivering stand zou houden. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding wegens het niet toekennen van de WIA-uitkering af.
Wel werd een schadevergoeding van € 2.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, die ruim zes jaar duurde. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op WIA-uitkering; wel wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.