ECLI:NL:CRVB:2018:4136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
De appellant ontving vanaf 1 januari 2016 een WW-uitkering die op 20 april 2016 werd beëindigd vanwege volledige werkhervatting. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verlaagde de uitkering met ingang van 2 maart 2016 met 25% voor vier maanden omdat appellant in de periode van 3 februari tot en met 1 maart 2016 onvoldoende had gesolliciteerd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel en voerde aan dat hij wel had gesolliciteerd maar door de ziekte van zijn moeder niet alle sollicitaties correct had opgeslagen en dat de Uwv-site tijdelijk onbereikbaar was. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant geen bewijs had geleverd van vier sollicitaties in vier weken.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en overhandigde aanvullende stukken, maar de Centrale Raad van Beroep vond deze onvoldoende om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Raad bevestigde dat appellant niet voldeed aan de sollicitatieplicht en dat de verlaging van de uitkering terecht was opgelegd. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 25% wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.