ECLI:NL:CRVB:2018:4145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en urenbeperking in WIA-uitkering na val met hersenletsel
Appellante, werkzaam als paardenverzorgster en vrachtwagenchauffeur, viel in 2012 van een paard en ontwikkelde sindsdien lichamelijke en cognitieve klachten. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees een WIA-uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek en de vastgestelde beperkbaarheid juist waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met een neuropsychologisch onderzoek en een rapport van haar bedrijfsarts, die een lagere belastbaarheid en urenbeperking suggereerden. De Raad schakelde een onafhankelijke neuroloog in, die een mild traumatic brain injury (mTBI) en postcontusioneel syndroom (PCS) constateerde, maar later zijn diagnose herzag wegens gebrek aan objectieve medische feiten.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aangepast op basis van het neuropsychologisch onderzoek, met aanvullende beperkingen, maar zonder urenbeperking. De deskundige kon geen objectieve medische verklaring geven voor een urenbeperking. De Raad oordeelde dat het oordeel van de deskundige niet overtuigend was en dat het UWV-standpunt, zoals vastgelegd in de FML van 11 juni 2014, moet worden gevolgd.
Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.