ECLI:NL:CRVB:2018:4163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget na onrechtmatige contante betalingen
Appellante ontving in 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €31.926,05, dat het zorgkantoor later vaststelde op nihil vanwege onrechtmatige contante betalingen aan zorgverleners. Het zorgkantoor vorderde het volledige bedrag terug. Na bezwaar werd het pgb gedeeltelijk herzien tot €16.449,89 en werd een deel van het voorschot teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet voldeed aan de verplichtingen uit de Regeling subsidies AWBZ door contante betalingen te doen, ondanks expliciete waarschuwingen. Haar verstandelijke beperking en de analfabetisme van haar moeder als zorgverlener ontsloegen haar niet van de verantwoordingsplicht. Zij had derden kunnen inschakelen of zorg in natura kunnen kiezen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden zonder nieuwe feiten of argumenten. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en oordeelde dat de vaststelling niet berustte op een onredelijke belangenafweging. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat meer was betaald dan het geaccepteerde bedrag. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van het persoonsgebonden budget bevestigd.