ECLI:NL:CRVB:2018:4225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet wonen op opgegeven adres
Appellant vroeg op 11 december 2015 bijstand aan, maar het college wees de aanvraag op 16 februari 2016 af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verklaring tegenover controleurs niet letterlijk moest worden genomen vanwege boosheid en dat deze onjuist was weergegeven. De Raad verwierp dit omdat appellant de verklaring had ondertekend en deze overeenkwam met de aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek.
Appellant stelde dat de karige inrichting van zijn kamer verklaard kon worden door zijn zwervend bestaan, maar de Raad vond dit niet aannemelijk omdat hij al meer dan drie maanden op het adres stond ingeschreven. Ook het vermoeden van vooringenomenheid van medewerkers was onvoldoende onderbouwd. Het college was bevoegd om de woon- en leefsituatie te controleren en hoefde geen aanvullend onderzoek te doen. Het feit dat appellant later bijstand kreeg toegekend op basis van een nieuwe aanvraag leidde niet tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens niet wonen op het opgegeven adres wordt bevestigd.