ECLI:NL:CRVB:2018:4232

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2018
Publicatiedatum
2 januari 2019
Zaaknummer
18/537 WIA-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering per 15 september 2015 door UWV

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland waarin werd geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering per 15 september 2015.

De rechtbank had uitgebreid de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV beoordeeld, met name de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 augustus 2015. Tevens werd het rapport van verzekeringsarts L. ten Hove uit november 2016 en haar toelichting in mei 2017 betrokken, waarin geen aanleiding werd gezien voor verdere beperkingen dan in de FML waren opgenomen.

Appellante heeft in hoger beroep niet kunnen aantonen dat het UWV haar situatie te rooskleurig had ingeschat, noch kon zij ter zitting haar standpunten onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dan ook volledig het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat er geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 5 december 2018 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering per 15 september 2015.

Uitspraak

18.537 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2017, 16/2848 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgeefster] (werkgeefster)
Datum uitspraak: 5 december 2018
Zitting heeft: A.I. van der Kris.
Griffier: R.H. Budde.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van Stralen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. Namens werkgeefster zijn verschenen mr. M.G. Blokziel, advocaat, en [naam] , directeur.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
De rechtbank is uitgebreid ingegaan op de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor verdergaande beperkingen dan neergelegd in de door het Uwv gehanteerde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 augustus 2015. De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken wat de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts L. ten Hove in haar rapport van 10 november 2016 en haar andere toelichting daarop van 9 mei 2017 heeft gesteld over de zitmogelijkheden van appellante bij gebruik van een artrodesezitting. Ook heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat Ten Hove in haar rapport heeft gesteld verder geen aanleiding te zien voor verdergaande beperkingen dan neergelegd in de FML van 3 augustus 2015.
1.2.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt, dat het Uwv haar medische situatie te rooskleurig heeft ingeschat, niet onderbouwd. Ter zitting heeft appellante voorts niet kunnen onderbouwen op welke punten de aangevallen uitspraak, gelet ook op wat Ten Hove over haar mogelijkheden heeft gezegd, niet juist is.
1.3.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellante per 15 september 2015 geen recht is ontstaan op een WIA‑uitkering en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid worden volledig onderschreven.
2. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend.) R.H. Budde (getekend.) A.I. van der Kris

NW