ECLI:NL:CRVB:2018:4234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering WW-uitkering wegens overschrijding inkomensgrens
Appellant ontving in juli en augustus 2016 respectievelijk € 2.188,62 en € 3.087,41 aan inkomsten, bedragen die hoger zijn dan 87,5% van het vastgestelde maandloon van € 2.451,23. Het UWV stelde daarom vast dat de WW-uitkering per 1 juli 2016 moest worden beëindigd en vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen teruggave van in totaal € 1.148,81.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat hij zich aan zijn inlichtingenplicht had gehouden en dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor hem en zijn gezin zou hebben. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de besluiten van het UWV.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de inkomsten daadwerkelijk hoger waren dan de toegestane grens en dat appellant de juistheid daarvan niet gemotiveerd betwistte. De Raad stelde vast dat het UWV gehouden is tot terugvordering van onverschuldigde uitkeringen en dat appellant geen dringende reden had onderbouwd om hiervan af te zien.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht per 1 juli 2016 beëindigd en de terugvordering van onverschuldigde uitkeringen is rechtmatig.