Appellante verzocht het UWV om terug te komen van het besluit van 24 juni 2011 waarbij haar ziekengeld werd beëindigd omdat zij per die datum geschikt werd geacht voor haar eigen werk. Dit verzoek werd afgewezen omdat de medische informatie die zij aanleverde geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er wel nieuwe feiten waren, waaronder de diagnose fibromyalgie die niet eerder bekend was, en verwees zij naar een rapport van oktober 2018 waarin haar arbeidsmarktpositie werd beoordeeld. De Centrale Raad oordeelde echter dat de medische stukken reeds bekend waren en dat het rapport van 2018 te laat was ingebracht en geen nieuwe feiten bevatte.
De Raad concludeerde dat het UWV zich zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd en dat er geen sprake was van evidente onredelijkheid. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.