ECLI:NL:CRVB:2018:4280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet gemelde bijschrijvingen op bankrekening mogen in mindering worden gebracht op bijstand
In deze zaak stond centraal of het college het totale bedrag van €6.040 aan bijschrijvingen op de bankrekening van appellanten in mindering mocht brengen op de bijstand. Appellanten voerden aan dat een deel van deze bijschrijvingen afkomstig was van daadwerkelijke geldleningen en daarom niet als middelen zouden moeten worden beschouwd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip zoals opgenomen in artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet.
Daarnaast stelden appellanten dat er een uitzondering gemaakt moest worden voor situaties waarin iemand zonder ander inkomen in afwachting is van een besluit op een aanvraag om algemene bijstand en daarom aangewezen is op geldleningen. De Raad oordeelde dat deze uitzondering niet van toepassing was omdat appellanten gedurende de periode in kwestie bijstand ontvingen, welke geacht wordt toereikend te zijn voor het levensonderhoud.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het beroep van appellanten af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en is gebaseerd op eerdere jurisprudentie over het middelenbegrip en de toepassing van de Participatiewet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat niet gemelde bijschrijvingen, ook als geldleningen, in mindering mogen worden gebracht op de bijstand.