ECLI:NL:CRVB:2018:4295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WGA-loonaanvullingsuitkering ten onrechte beëindigd wegens onvoldoende rekening houden met psychiatrisch ziektebeeld
Appellant was sinds september 2008 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Het UWV beëindigde in 2013 de WGA-loonaanvullingsuitkering op basis van een herbeoordeling die stelde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen ervan.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) had gevolgd, die onvoldoende rekening hield met zijn psychiatrische beperkingen. De door de Raad nader geraadpleegde onafhankelijke deskundige, psychiater Van Marle, bevestigde dat de FML niet adequaat was en dat appellant gekwalificeerde begeleiding nodig heeft om arbeid te verrichten.
De Raad oordeelde dat de geselecteerde functies niet passend zijn omdat de noodzakelijke kwalitatieve begeleiding niet is meegenomen, wat neerkomt op werk onder beschutte omstandigheden. Daarom werd het besluit van het UWV vernietigd en herroepen, en werd bepaald dat appellant recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% vanaf 6 mei 2013.
Daarnaast kende de Raad een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, waarbij het UWV en de Staat elk een deel van de vergoeding betalen. Ook werd het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wordt vernietigd en appellant krijgt met terugwerkende kracht recht op uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.