Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:47

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 januari 2018
Publicatiedatum
8 januari 2018
Zaaknummer
14/2719 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping besluit UWV en toekenning ZW-uitkering per 20 mei 2013 aan appellant

Appellant was tot september 2010 werkzaam als magazijnmedewerker/chauffeur en meldde zich in oktober 2009 ziek. Na een WW-uitkering stelde het UWV in november 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna hij vanaf december 2011 als natuursteenslijper werkte tot juli 2012. In december 2012 meldde appellant zich ziek met psychische klachten en bezocht hij in maart en mei 2013 een verzekeringsarts die hem geschikt achtte voor zijn laatst verrichte arbeid.

Het UWV besloot in mei 2013 dat appellant geen recht meer had op ziekengeld, wat in bezwaar werd bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was, onvoldoende rekening hield met zijn psychische aandoeningen en dat hij op de datum in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Hij overhandigde een behandelplan van een GZ-psycholoog.

De Raad concludeerde dat appellant leed aan diverse psychische aandoeningen en dat het voordeel van de twijfel aan appellant gegeven moest worden met betrekking tot zijn geschiktheid op 20 mei 2013. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, herroept het UWV-besluit van mei 2013 en bepaalt dat appellant recht blijft houden op een ZW-uitkering vanaf die datum. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Appellant behoudt recht op Ziektewet-uitkering per 20 mei 2013; besluit UWV wordt herroepen.

Uitspraak

14/2719 ZW
Datum uitspraak: 3 januari 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 april 2014, 13/2554 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bos. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is tot 1 september 2010 werkzaam geweest als magazijnmedewerker/chauffeur voor 40 uur per week. Appellant heeft zich op 15 oktober 2009 ziek gemeld. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft bij besluit van 22 november 2011 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 13 oktober 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per 13 oktober 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van machinaal metaalbewerker, wikkelaar/samensteller en productiemedewerker te vervullen. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.2.
Appellant is vervolgens vanaf 5 december 2011 werkzaam geweest als natuursteenslijper voor 30,6 uur per week. Zijn dienstverband is op 31 juli 2012 geëindigd. Appellant heeft zich op 11 december 2012 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de WW.
1.3.
Op 28 maart 2013 en 13 mei 2013 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 20 mei 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van natuursteenslijper. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 mei 2013 vastgesteld dat appellant per 20 mei 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 augustus 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juli 2013 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek door de artsen van het Uwv onzorgvuldig is verricht en dat het standpunt van het Uwv onvoldoende is gemotiveerd. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijkheidsstoornis en het feit dat hij lijdt aan een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Voorts heeft appellant aangevoerd dat per datum in geding wel degelijk sprake was van een depressieve toestand in engere zin. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de artsen van het Uwv bij het vaststellen van zijn belastbaarheid uitgegaan zijn van een niet volledige diagnose heeft appellant een behandelplan van GZ-psycholoog F. van den Heuvel van 1 augustus 2013 ingediend. Tot slot heeft appellant gesteld dat hij vanwege zijn beperkingen per datum in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden geen aanleiding geven tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van Pro de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.
4.2.
Ter zitting is door appellant meegedeeld dat hij zich in september 2013 heeft ziekgemeld wegens opname- en behandeling in een verslavingskliniek. In september 2015 is hem door het Uwv vervolgens een WIA-uitkering toegekend. Namens het Uwv is de juistheid van de mededeling van appellant ter zitting bevestigd.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 20 mei 2013 leed aan een aanpassingsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, cannabisafhankelijkheid, ADHD en sociale problematiek. Partijen verschillen van mening over de uit deze aandoeningen voortvloeiende beperkingen en de geschiktheid van appellant voor het verrichten van zijn arbeid als natuursteenslijper.
4.4.
Bij brief van 10 november 2017 heeft appellant een behandelplan van de GZ ingediend, met als ingangsdatum 1 augustus 2013. Hieruit blijkt dat door middel van een vierweekse klinische detox en diagnostiek wordt geprobeerd abstinentie van cannabis te bereiken en appellant tevens te behandelen voor ADHD en persoonlijkheidsproblematiek. Tevens zal diagnostiek naar rouw en angsten plaatsvinden. Uit het behandelplan van 1 november 2013 blijkt vervolgens dat appellant de detox/diagnostiek heeft gedaan en dat een klinische vervolgbehandeling zal worden voortgezet. Door het Uwv is de juistheid van hetgeen in deze rapporten staat opgenomen niet bestreden.
4.5.
Gelet op de in het dossier aanwezige informatie over het medische en uitkeringsverleden van appellant, de informatie over de toekenning van de ZW-uitkering in september 2013 gevolgd door toekenning van een WIA-uitkering per september 2015, de in het dossier aanwezige medische informatie van onder meer de GZ en het feit dat het om een afgesloten periode van vier maanden gaat, ziet de Raad aanleiding om appellant, voor wat betreft de vraag of hij per 20 mei 2013 in staat kon worden geacht zijn eigen arbeid te verrichten, het voordeel van de twijfel te geven. Niet aannemelijk wordt geacht dat de medische situatie van appellant en de daarmee samenhangende belastbaarheid op de datum in geding, zijnde voor de behandeling van zijn psychische problematiek, beter dan wel groter was dan ten tijde van de toekenning van de WIA-uitkering.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Voorts wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 14 mei 2013 te herroepen onder bepaling dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit. Gevolg daarvan is dat appellant ook per 20 mei 2013 recht blijft houden op een ZW-uitkering.
5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 6 augustus 2013;
  • herroept het besluit van 14 mei 2013 en bepaalt dat appellant met ingang van 20 mei 2013 recht blijft houden op een ZW-uitkering;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 6 augustus 2013;
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.004,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2018.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.A.A. Traousis

UM