Appellant was tot september 2010 werkzaam als magazijnmedewerker/chauffeur en meldde zich in oktober 2009 ziek. Na een WW-uitkering stelde het UWV in november 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna hij vanaf december 2011 als natuursteenslijper werkte tot juli 2012. In december 2012 meldde appellant zich ziek met psychische klachten en bezocht hij in maart en mei 2013 een verzekeringsarts die hem geschikt achtte voor zijn laatst verrichte arbeid.
Het UWV besloot in mei 2013 dat appellant geen recht meer had op ziekengeld, wat in bezwaar werd bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was, onvoldoende rekening hield met zijn psychische aandoeningen en dat hij op de datum in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Hij overhandigde een behandelplan van een GZ-psycholoog.
De Raad concludeerde dat appellant leed aan diverse psychische aandoeningen en dat het voordeel van de twijfel aan appellant gegeven moest worden met betrekking tot zijn geschiktheid op 20 mei 2013. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, herroept het UWV-besluit van mei 2013 en bepaalt dat appellant recht blijft houden op een ZW-uitkering vanaf die datum. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten.