ECLI:NL:CRVB:2018:486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens niet-naleving re-integratieverplichtingen
Appellant ontving vanaf september 2014 een WW-uitkering en meldde zich in september 2015 opnieuw ziek. Het UWV stelde een werkplan op met re-integratieverplichtingen, waaronder het plaatsen van een cv en het verrichten van sollicitaties. Appellant kwam deze afspraken niet na, waarop het UWV de uitkering met 37,5% verlaagde gedurende vier maanden vanwege recidive.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij door medische beperkingen niet aan de verplichtingen kon voldoen en dat er geen passende functies beschikbaar waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het werkplan als re-integratievisie geldt en dat appellant de verplichtingen niet is nagekomen. De medische stukken toonden fysieke klachten, maar deze belemmerden niet het uitvoeren van de niet fysiek belastende verplichtingen. De Raad vond geen reden voor vermindering van verwijtbaarheid en bevestigde de maatregel van 37,5% verlaging van de uitkering.
De Raad wees tevens op de eerdere maatregel in 2015 wegens dezelfde overtreding, wat de zwaardere maatregel rechtvaardigde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 37,5% gedurende vier maanden wordt bevestigd wegens niet-naleving van re-integratieverplichtingen.