ECLI:NL:CRVB:2018:54
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als productiemedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV besloot dat zij per 19 november 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, en wees de uitkering af. De rechtbank vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, waarna appellante hoger beroep instelde.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische klachten, waaronder PTSS, onvoldoende waren meegewogen en dat haar taalbeheersing onvoldoende was om de voorgestelde functies te vervullen. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische beperkingen niet waren onderschat. De brief van Cirya GGZ bood geen nieuwe aanknopingspunten om het oordeel te herzien.
Ook de arbeidskundige beoordeling werd bevestigd, waarbij werd vastgesteld dat appellante de Nederlandse taal voldoende beheerst om de functies te kunnen uitvoeren. De Raad concludeerde dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand had gelaten en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.