ECLI:NL:CRVB:2018:542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verplichtingen
De appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg in 2013, dat door het Zorgkantoor werd vastgesteld op nihil en teruggevorderd. Het bezwaar werd gedeeltelijk gegrond verklaard voor een deel van de zorgkosten, maar de kosten voor zorg geleverd door een derde partij, die tevens beheerder van het pgb was, werden afgekeurd omdat appellant niet aan de pgb-verplichtingen voldeed.
De rechtbank oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en het niet verantwoordde bedrag terug te vorderen, waarbij het faillissement van de beheerder en het ontbreken van toegang tot digitale administratie voor rekening van appellant kwamen. In hoger beroep stelde appellant dat hem dit niet kon worden verweten en dat de belangenafweging onvoldoende was gemaakt.
De Raad concludeerde dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij de budgethouder ligt, ook als het beheer door een derde wordt uitgevoerd. Het faillissement van de beheerder leidt niet tot een andere beoordeling. De door appellant overgelegde stukken waren onvoldoende om aan te tonen dat meer zorg was geleverd dan reeds goedgekeurd.
Het Zorgkantoor heeft derhalve terecht het pgb lager vastgesteld en de terugvordering gedaan. De appellant kan een betalingsregeling treffen en bescherming van de beslagvrije voet wordt in acht genomen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pgb is terecht lager vastgesteld en teruggevorderd.