ECLI:NL:CRVB:2018:543
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende gemotiveerde weigering WIA-uitkering wegens onjuiste FML-beoordeling
Appellante, die sinds juli 2013 ziekgemeld is met psychische en knieklachten, kreeg op 17 april 2015 van het UWV te horen dat zij geen recht had op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Dit besluit werd op 17 juli 2015 bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts zorgvuldig onderzoek had verricht en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 juni 2015 juist was vastgesteld.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen op het gebied van samenwerken, vaste werkplek en urenbeperking onvoldoende waren erkend. Zij overlegde een aanvullend verzekeringsgeneeskundig rapport van Van den Oever, waarin werd gesteld dat een vaste werkplek en vervoersvoorziening noodzakelijk zijn en dat een urenbeperking tot twee uur per dag passend is vanwege haar psychische aandoeningen en energiebeperkingen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaafde zijn eerdere standpunt en motiveerde summier waarom de FML niet aangepast zou worden. De Raad oordeelde dat deze summiere motivering onvoldoende overtuigt en dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Daarom draagt de Raad het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen met een nader rapport van de verzekeringsarts en eventueel een arbeidsdeskundig rapport, waarna een nieuwe beslissing op bezwaar kan worden genomen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen met een nader rapport en nieuwe beslissing op bezwaar.