ECLI:NL:CRVB:2018:553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken hoger beroep
Appellante heeft op 11 januari 2018 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De Raad heeft bij een eerdere uitspraak van dezelfde dag geoordeeld dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het ingestelde hoger beroep, omdat het bestreden besluit niet vatbaar is voor hoger beroep. Hierdoor is niet langer voldaan aan de voorwaarde dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn om een voorlopige voorziening te kunnen treffen.
De voorzieningenrechter overweegt dat hoewel het voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld voor de bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening, dit hoger beroep wel daadwerkelijk aanhangig moet zijn op het moment van het verzoek. Omdat dat niet het geval is, wordt het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J. Brand, in aanwezigheid van griffier J.A. Achterberg, en is openbaar uitgesproken op 16 februari 2018.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig hoger beroep.