ECLI:NL:CRVB:2018:611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering bij minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en Duitse pensioenstatus
Appellante, woonachtig in Duitsland en voorheen werkzaam in Nederland, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond vanwege zorgvuldig onderzoek en een juiste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren, mede vanwege taalproblemen. Zij overlegde Duitse besluiten waarin volledige arbeidsongeschiktheid werd toegekend. Het UWV stelde dat de Duitse beoordeling niet relevant is voor de Nederlandse WIA-toets.
De Raad oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zorgvuldig en goed gemotiveerd was. De geselecteerde functies overschreden de belastbaarheid van appellante niet. Haar Duitse pensioenstatus deed niet af aan de juistheid van het Nederlandse besluit. Het hoger beroep werd verworpen, en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.