ECLI:NL:CRVB:2018:635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na niet verschijnen op gesprek
Appellant ontving bijstand sinds 2012 en werd in 2015 geconfronteerd met een opschorting van zijn bijstandsuitkering na een melding over een hennepkwekerij op zijn adres. Het bestuur nodigde appellant uit voor een gesprek om de rechtmatigheid van de bijstand te onderzoeken, waarbij hij bankafschriften moest overleggen. Appellant verscheen niet op de eerste uitnodiging en ook niet op een tweede afspraak, zonder bericht van verhindering.
Het bestuur besloot daarop de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015 in te trekken op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat psychische klachten hem verhinderden te verschijnen en het bestuur redelijk had gehandeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over psychische klachten en verwees naar het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De Raad oordeelde dat deze gronden reeds gemotiveerd door de rechtbank waren beoordeeld en onvoldoende onderbouwd waren in hoger beroep. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens het niet verschijnen van appellant op het gesprek.