ECLI:NL:CRVB:2018:703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft haar werkzaamheden in juni 2012 gestaakt vanwege lichamelijke klachten. Het UWV stelde bij besluit van juni 2014 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WGA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank Oost-Brabant in mei 2015.
In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onvoldoende was en dat zij meer beperkingen had, onder meer op basis van informatie van een bedrijfsarts en ergotherapeut. De Raad liet zich adviseren door een onafhankelijke psychiater, die concludeerde dat er geen psychiatrische of neurologische ziekte of gebrek was die de beperkingen rechtvaardigde.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende was. De functies die op basis van de beperkingen waren geselecteerd, werden passend geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WGA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.