Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2018
Publicatiedatum
14 maart 2018
Zaaknummer
16/8105 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening persoonsgebonden budget met gewenningsperiode

Appellante ontving op grond van de Wmo 2015 een pgb voor begeleiding in de klasse 'midden', aanvankelijk toegekend op €1.760,- per vier weken voor de periode van 6 augustus 2015 tot 6 augustus 2017. Het college herzag dit bedrag op 6 oktober 2015 terug naar €1.012,15 per vier weken, met terugwerkende kracht vanaf 6 augustus 2015. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening.

Het college verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond en handhaafde het hogere pgb tot 1 juli 2016, waarna het werd verlaagd naar €1.012,50. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante dat het college het rechtszekerheids-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door onvoldoende communicatie en fouten, waardoor zij onvoorbereid was op de pgb-wijziging.

De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de fout te herstellen en dat het besluit niet in strijd was met rechtsbeginselen. De gewenningsperiode tot 1 juli 2016 bood appellante voldoende gelegenheid om haar zorgovereenkomst aan te passen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens het ontbreken van ondubbelzinnige toezeggingen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het pgb met ingang van 1 juli 2016 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

16.8105 WMO15

Datum uitspraak: 14 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2016, 16/4651 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.N. Nijman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Beide partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, voor zover in dit geding van belang.
1.1.
Het college heeft in een besluit van 2 juli 2015 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan appellante begeleiding in de klasse ‘midden’ toegekend, in de vorm van acht dagdelen per week dagbesteding. Deze toekenning betreft de periode van
6 augustus 2015 tot 6 augustus 2017. Het college heeft deze voorziening toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De hoogte van het pgb is daarbij gesteld op
€ 1.760,- per vier weken.
1.2.
Het college heeft daarna in een besluit van 6 oktober 2015 de hoogte van het pgb met ingang van 6 augustus 2015 herzien naar € 1.012,15 per vier weken.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 oktober 2015. Bij besluit van 9 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat appellante een gewenningsperiode had moeten worden gegund. Het college heeft het pgb ter hoogte van € 1.760,- gehandhaafd tot 1 juli 2016 en vanaf die datum herzien naar
€ 1.012,50. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft haar standpunt gehandhaafd dat sprake is van schending van het rechtszekerheids-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het college niet vanaf het begin af aan met appellante heeft gecommuniceerd en meerdere fouten heeft gemaakt. Appellante wist niets van een wijziging in de hoogte van het pgb en was net een zorgovereenkomst aangegaan waarbij is uitgegaan van het hogere pgb-bedrag. Als appellante de zorgovereenkomst zou moeten opzeggen of wijzigen, zou dit betekenen dat zij niet meer de zorg kan ontvangen waaraan zij behoefte heeft. Het bestreden besluit is volgens appellante onvoldoende gemotiveerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft geen beroepsgronden ingediend tegen de toekenning van begeleiding, klasse ‘midden’. Niet in geschil is dat het bedrag van € 1.012,15 het correcte pgb is dat hoort bij deze aan appellante toegekende maatwerkvoorziening. Dat houdt in dat het college aanvankelijk een te hoog pgb heeft verleend.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, onder de voorwaarde dat het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Van strijd met deze beginselen is in dit geval geen sprake. Het college heeft weliswaar in het primaire besluit van 6 oktober 2015 met terugwerkende kracht het pgb-bedrag herzien, maar heeft dit in het bestreden besluit heroverwogen en alsnog eerst met ingang van 1 juli 2016 de herziening in laten gaan. Hangende de bezwaarprocedure heeft het college al aan appellante meegedeeld dat de datum waarop de herziening in zou gaan, niet eerder zou liggen dan de datum van het besluit op bezwaar. In het besluit op bezwaar heeft het college vervolgens een extra gewenningsperiode tot 1 juli 2016 in acht genomen. Appellante had daarmee de gelegenheid de door haar gesloten zorgovereenkomst aan te passen.
4.3.
Appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel kan vervolgens niet slagen omdat niet blijkt van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen van het college, die bij appellante gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) I.G.A.H. Toma

HD