ECLI:NL:CRVB:2018:781
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.T.H. Zimmerman
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens niet gemelde kledingverkoop aan huis
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden onderzocht nadat een melding binnenkwam over mogelijke niet-legale inkomsten. Uit onderzoek bleek dat appellante betrokken was bij kledingverkoop vanuit hun woning, wat zij niet had gemeld aan het college. Het college trok de bijstand over een bepaalde periode in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor de intrekking en terugvordering, maar matigde de boete. In hoger beroep stelde het college de boete niet langer in stand, waardoor dit deel van het beroep slaagde. De Raad oordeelde dat appellante op geld waardeerbare werkzaamheden had verricht in de periode van 22 november 2013 tot en met 3 januari 2014, maar niet daarvoor of daarna.
Omdat appellanten geen administratie konden overleggen over de omvang van de werkzaamheden, kon het recht op bijstand over die periode niet worden vastgesteld. De Raad vernietigde het besluit tot intrekking en terugvordering voor de periode van 27 september 2013 tot en met 1 november 2013 en droeg het college op een nieuwe terugvorderingsbeslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over een deel van de periode wordt vernietigd en de boete wordt herroepen.