ECLI:NL:CRVB:2018:796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij indicatiebesluit AWBZ
De zaak betreft een hoger beroep van de erven van betrokkene tegen het CIZ inzake een indicatiebesluit op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode van 13 maart 2012 tot en met 27 december 2013. Na eerdere procedures heeft het CIZ meerdere herziene beslissingen op bezwaar genomen, waarbij de laatste op 9 oktober 2017 geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellanten.
Tijdens de zitting van 5 februari 2018 heeft de Raad vastgesteld dat appellanten geen belang meer hebben bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, omdat het nadere besluit het geschil feitelijk heeft opgelost. De Raad verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.
Appellanten betwijfelen of de nieuwe indicatie daadwerkelijk kan worden verzilverd bij het zorgkantoor. De Raad adviseert appellanten zich eerst tot het zorgkantoor te wenden voor vergoeding van de extra zorgkosten. Indien dat niet slaagt, kunnen zij een verzoek om schadevergoeding indienen bij het CIZ.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in aanwezigheid van griffier B. Dogan, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang.