Uitspraak
16.6756 WUBO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en aanspraak op een uitkering. Na afwijzing van haar aanvraag en bezwaar, stelde zij beroep in tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder).
De kern van het geschil betrof de vraag of de psychische klachten van appellante het gevolg zijn van oorlogsgeweld, namelijk de vlucht uit levensbedreigende omstandigheden tijdens de Bersiap-periode na het in brand steken van haar ouderlijk huis. Verweerder baseerde zich op medische adviezen van verzekeringsgeneeskundigen die concludeerden dat de psychische problematiek niet hoofdzakelijk door deze gebeurtenis was veroorzaakt, maar door een opeenhoping van traumatische ervaringen.
Appellante voerde aan dat verzekeringsgeneeskundigen niet bevoegd zijn DSM-diagnoses te stellen en dat haar klachten wel degelijk oorlogsgerelateerd zijn. De Raad oordeelde dat het stellen van DSM-diagnoses door BIG-geregistreerde artsen toegestaan is voor het benoemen van klachten en dat het Regionaal Tuchtcollege dit bevestigde. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de verzekeringsgeneeskundigen.
De Raad concludeerde dat de psychische klachten niet primair door het oorlogsgeweld zijn veroorzaakt en dat er geen omgekeerde bewijslast geldt. Ook ontbrak een concrete medische onderbouwing voor een oorzakelijk verband tussen fysieke klachten en het oorlogsgeweld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van verweerder blijft in stand.