ECLI:NL:CRVB:2018:880
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet met een eerste aanvraag op 11 mei 2015, die door het college buiten behandeling werd gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van bewijsstukken. Een tweede aanvraag op 1 juli 2015 leidde tot toekenning van bijstand per die datum.
Appellante maakte bezwaar tegen de toekenning per 1 juli 2015 en stelde in hoger beroep dat zij recht had op bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2015, omdat de stukken voor de eerste aanvraag wel tijdig waren ingediend. De Raad oordeelde dat het bezwaar niet gericht was tegen het besluit tot buitenbehandelingstelling en dat volgens vaste rechtspraak bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend zonder bijzondere omstandigheden.
De stelling van appellante dat zij de gevraagde stukken tijdig had ingeleverd bij de eerste aanvraag, kon niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, mede omdat zij niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen het buitenbehandelingsbesluit. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.