ECLI:NL:CRVB:2018:883

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
26 maart 2018
Zaaknummer
16/1149 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:17 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten en fiscale adviesnota bevestigd

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor reiskosten naar zijn advocaat en het juridisch loket over een periode van bijna drie jaar, alsmede voor een nota van een belastingadviseur inzake fiscaal advies. Het college wees deze aanvraag af omdat deze kosten behoren tot de algemene kosten van bestaan die uit het bijstandsniveau kunnen worden voldaan.

Appellant stelde in hoger beroep dat de coach die het besluit nam niet bevoegd was en dat het college daarom een dwangsom verschuldigd was wegens niet tijdig beslissen. Ook voerde hij aan dat de kosten niet reguliere kosten zijn maar voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, waardoor bijzondere bijstand gerechtvaardigd zou zijn.

De Raad oordeelde dat het besluit van 10 juni 2014 wel degelijk een besluit in de zin van de Awb is, ongeacht de bevoegdheid van de coach, en dat het college geen dwangsom verschuldigd is omdat het besluit binnen twee weken na ingebrekestelling is genomen. Verder stelde de Raad dat de reiskosten en de nota incidentele algemene kosten van bestaan zijn die in beginsel uit het bijstandsniveau moeten worden voldaan. Het enkele feit dat de kosten verband houden met procedures rechtvaardigt geen bijzondere bijstand.

De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor reiskosten en fiscale adviesnota wordt bevestigd.

Uitspraak

16 1149 WWB

Datum uitspraak: 20 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
12 januari 2016, 15/622 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.H. Verburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verburg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. I.M. Meurkens-Mannens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 31 maart 2014 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor onder meer reiskosten van appellant naar advocaten en het juridisch loket over de periode van 12 juli 2011 tot en met 18 maart 2014 (reiskosten) en een nota van [A.] accounting & belastingadviseurs met factuurdatum 19 maart 2014 inzake fiscaal advies boekenonderzoek 7 december 2010 (nota).
1.2.
Bij e-mailbericht van 10 april 2014 heeft [B. ] ( [B. ] ), bij het college werkzaam als coach, appellant meegedeeld dat zijn aanvraag in behandeling is en dat de uiterlijke beslisdatum 26 mei 2014 is, tenzij er een hersteltermijn geboden dient te worden. In dat geval verschuift de beslistermijn naar een latere datum.
1.3.
[B. ] heeft appellant bij brief van 21 mei 2014 een hersteltermijn tot 4 juni 2014 gegeven om de in die brief genoemde, ontbrekende, gegevens alsnog over te leggen. Bij e-mailbericht van 26 mei 2014 heeft appellant een aantal gegevens aan [B. ] verzonden.
1.4.
Appellant heeft bij e-mailbericht van 30 mei 2014 het college ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in gebreke gesteld.
1.5.
Bij besluit van 10 juni 2014 heeft [B. ] namens het college - voor zover hier van belang -
de aanvraag om bijzondere bijstand voor de reiskosten en de nota afgewezen op de grond dat deze kosten behoren tot de algemene kosten van bestaan, die niet kunnen worden afgewenteld op de WWB. Deze kosten behoren in het algemeen tot de reguliere kosten van een belanghebbende welke hij uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm kan voldoen.
1.6.
Bij besluit van 26 januari 2015 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van
10 juni 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat [B. ] als coach niet bevoegd was om namens het college
een besluit te nemen op de aanvraag om bijzondere bijstand. Gelet hierop is de beslissing van 10 juni 2014 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit houdt tevens in dat [B. ] evenmin bevoegd was de beslistermijn naar een latere datum te verschuiven. Dit maakt dat het college een dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag om bijzondere bijstand.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op 10 juni 2014 heeft [B. ] namens het college een beslissing genomen op de aanvraag om bijzondere bijstand en daarmee is op die datum een besluit op de aanvraag genomen als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De stelling dat [B. ] niet bevoegd was namens het college een besluit te nemen doet hier niet aan af, nog daargelaten of deze stelling juist is. Dat mogelijk een gebrek aan een besluit kleeft, is immers niet van belang bij de bepaling van het besluitkarakter (vergelijk de uitspraken van 14 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1360, en van 18 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:149).
Nu het besluit van 10 juni 2014 binnen twee weken na de ingebrekestelling is genomen, is
het college, gelet op het bepaalde in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, reeds daarom geen dwangsom verschuldigd.
4.3.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college vergoeding van de reiskosten en de nota ten onrechte heeft afgewezen. Deze kosten behoren volgens appellant niet tot de reguliere kosten die uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm zouden kunnen worden voldaan. Het gaat om reiskosten die op structurele basis moeten worden gemaakt en die veelal hun oorzaak vinden in procedures die appellant zelf niet heeft gestart. Voor de nota heeft appellant aangevoerd dat deze ziet op een procedure bij de Belastingdienst. Het gaat hier dan ook om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten welke niet kunnen worden voldaan uit de algemene bijstand.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het gaat bij de reiskosten en de kosten van de nota om incidentele algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten een objectieve noodzaak bestaat, kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Uit de enkele omstandigheid dat appellant meerdere keren naar zijn advocaat is gereisd volgt nog niet dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. De enkele omstandigheid dat de nota ziet op een advies in verband met een procedure met de Belastingdienst, maakt op zichzelf ook niet dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten.
4.5.
Uit 4.2 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) A. Mansourova

LO