ECLI:NL:CRVB:2018:900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid bevestigd
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster voor 24 uur per week, meldde zich ziek met spier-, pees- en gewrichtsklachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts vast dat zij per 25 februari 2014 geschikt was voor de maatgevende arbeid en beëindigde haar Ziektewetuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen aanwijzingen waren dat het medisch oordeel onjuist was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten werden onderschat en zij niet in staat was het werk te verrichten. De Raad liet twee onafhankelijke deskundigen, een reumatoloog en een neuroloog, rapporteren. Hun onderzoeken en conclusies bevestigden dat appellante ondanks lichte beperkingen in handen en zenuwen in staat was tot het verrichten van haar maatgevende arbeid, die voornamelijk zittend werk met beperkte handbelasting omvatte.
De Raad oordeelde dat de deskundigen zorgvuldig en consistent hadden gemotiveerd en dat het beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd wegens geschiktheid voor de maatgevende arbeid.