ECLI:NL:CRVB:2018:930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag herzien
Appellant, sinds 1992 werkzaam als fysiotherapeut, werd op 25 november 2011 arbeidsongeschikt. Het UWV stelde bij besluit van 24 oktober 2013 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen WIA-uitkering kreeg. Dit besluit werd in bezwaar en door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten door het syndroom van Brody, ondersteund door medische rapporten van een verzekeringsarts en zijn neuroloog. Het UWV verwees naar een rapport van een verzekeringsarts die een progressief ziektebeeld constateerde en stelde dat de nieuwe medische gegevens dateren van een latere datum dan de datum in geschil.
De Raad liet een onafhankelijke neuroloog, dr. Van den Doel, de medische situatie beoordelen op de datum in geschil. Deze concludeerde dat er op die datum ernstigere beperkingen waren dan eerder aangenomen, met name in spierkracht en duur van activiteiten. De Raad oordeelde dat het UWV-besluit niet op een deugdelijke medische grondslag was gebaseerd en droeg het UWV op de Functionele Mogelijkhedenlijst aan te passen en een nieuwe beslissing te nemen indien nodig.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen door de medische beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst aan te passen.