ECLI:NL:CRVB:2018:950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget AWBZ 2013-2014
Het Zorgkantoor heeft voor de jaren 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend aan appellante voor AWBZ-zorg. Na controle stelde het Zorgkantoor het pgb lager vast en vorderde het te veel betaalde voorschotten terug, omdat niet kon worden vastgesteld dat het gehele pgb aan AWBZ-zorg was besteed.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het Zorgkantoor handhaafde de lagere vaststelling en terugvordering deels. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende had onderbouwd dat er meer AWBZ-zorg was geleverd dan vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat er meer begeleiding was verleend en dat zij vanwege haar medische situatie niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de verantwoording. De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager heeft vastgesteld, omdat niet duidelijk was welke zorg en hoeveel uren daadwerkelijk waren geleverd. De verantwoording van het pgb blijft de verantwoordelijkheid van appellante, ook als derden het beheer voeren.
Het Zorgkantoor was bevoegd om het pgb lager vast te stellen en de te veel betaalde voorschotten terug te vorderen. De stelling dat appellante het bedrag niet kan betalen, leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb worden bevestigd.