ECLI:NL:CRVB:2018:962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2007 met rugklachten uitgevallen is uit zijn werk, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze in 2009 omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een MRI-scan in 2014 en een verzoek tot herbeoordeling, stelde het UWV in 2015 opnieuw vast dat er geen toename van beperkingen was en wees het de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep heeft appellant een aanvullend medisch rapport ingediend waarin hij stelt dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld en dat zijn beperkingen zijn toegenomen. Het UWV handhaafde haar standpunt en stelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat geen sprake was van toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV alle relevante medische informatie heeft betrokken en dat het rapport van de reumatoloog geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen. Er is geen objectief bewijs van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na het eerdere besluit. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toename van arbeidsongeschiktheid.