ECLI:NL:CRVB:2018:963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende motivering verlaging WAO-uitkering en opdracht tot herbeoordeling
Appellant, met een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, maakte bezwaar tegen een verlaging van zijn uitkering door het UWV. De verlaging was gebaseerd op een medisch onderzoek door een Duitse orthopedisch chirurg, vertaald naar een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) door verzekeringsartsen van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep constateert dat de vertaling van de Duitse medische bevindingen naar de Nederlandse FML onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd is. Met name is onvoldoende rekening gehouden met de door de orthopedisch chirurg vastgestelde arbeidsduurbeperking van drie tot zes uur per dag en de daarmee samenhangende randvoorwaarden.
De Raad wijst erop dat appellant niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is gezien, waardoor het beeld van zijn functionele mogelijkheden mogelijk onjuist is. Daarom wordt het UWV opgedragen binnen acht weken het gebrek te herstellen door appellant opnieuw te laten beoordelen door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, met een nadere arbeidskundige beoordeling.
Afhankelijk van de uitkomst dient het UWV het besluit te handhaven of een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De uitspraak is een tussenuitspraak in hoger beroep tegen de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen acht weken het besluit te herzien door appellant opnieuw te laten beoordelen door een verzekeringsarts bezwaar en beroep.