ECLI:NL:CRVB:2019:1
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig magazijnmedewerker en chauffeur, meldde zich ziek met klachten door de ziekte van Graves en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig rapport vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, mede vanwege vermoeidheid en schildklierdisbalans. Zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de arbeidsdeskundige bevestigden echter de eerdere beoordeling, met een lichte aanscherping van beperkingen die geen effect had op het recht op uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, benadrukkend dat de medische situatie en belastbaarheid van appellant juist waren ingeschat en dat de geselecteerde functies geschikt waren.
Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.