ECLI:NL:CRVB:2019:1005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op Ziektewet-uitkering na medische beoordeling
Appellante was werkzaam als administratief medewerker en ontving na haar bevalling een Ziektewet-uitkering wegens complicaties na een keizersnede. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen werd vastgesteld dat zij vanaf 30 maart 2016 weer in staat was haar werkzaamheden te verrichten, ondanks fysieke beperkingen.
Het UWV beëindigde daarom haar Ziektewet-uitkering, wat appellante betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de medische rapporten geen aanwijzingen gaven voor ongeschiktheid tot werk. Appellante voerde aan dat haar klachten en de traumatische bevalling onvoldoende werden erkend.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De verzekeringsartsen hadden zorgvuldig onderzoek gedaan en alle relevante medische informatie betrokken. Appellante had onvoldoende bewijs geleverd van blijvende ongeschiktheid. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op een Ziektewet-uitkering omdat zij haar administratieve werkzaamheden weer kan verrichten.