ECLI:NL:CRVB:2019:1009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van 2011 tot 2014. Na een politieonderzoek waarbij contant geld en een Turkse bankrekening werden aangetroffen, stelde het dagelijks bestuur vast dat appellanten hun inlichtingenplicht hadden geschonden door het niet melden van gouden sieraden, contanten en een bankrekening. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten de schending van de inlichtingenplicht, onder meer met het argument dat de contanten toebehoorden aan hun zoon en dat de bankrekening op verzoek van de Sociale Verzekeringsbank was geopend.
De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij niet over de contanten en sieraden konden beschikken en dat zij ook de bankrekening niet hadden gemeld, ondanks dat het dagelijks bestuur hierom had gevraagd. De Raad stelde vast dat de intrekking en terugvordering wettelijk waren voorzien, een legitiem algemeen belang dienden en proportioneel waren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.