ECLI:NL:CRVB:2019:1012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAW-uitkering wegens niet gemelde hennepkwekerij
Appellant ontving sinds 4 mei 2015 een IOAW-uitkering. In oktober 2016 ontdekte de politie hennepkwekerijen in zijn woning en bedrijfsruimte. Appellant gaf toe al enkele jaren hennep te kweken en verstrekte een achteraf opgesteld overzicht van de kweekperiodes, opbrengsten en kosten. Het college trok daarop de uitkering in over meerdere periodes en vorderde de kosten terug tot een bedrag van €14.439,52.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de terugvordering lager had moeten zijn omdat de laatste oogst in beslag was genomen, waardoor hij geen inkomsten had uit die oogst. De Raad oordeelde dat het college op grond van de IOAW verplicht was de uitkering in te trekken en de kosten terug te vorderen vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie.
De Raad stelde vast dat het niet mogelijk was vast te stellen of de terugvordering onevenredig hoog was, omdat de inkomsten uit de hennepteelt niet konden worden vastgesteld. Daarom faalde het verweer van appellant en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de IOAW-uitkering wegens het ontbreken van een deugdelijke administratie en wijst het hoger beroep af.