ECLI:NL:CRVB:2019:1015
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellante, voormalig medewerker snackbar, meldde zich ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij geschikt was voor haar maatgevende arbeid en trok de uitkering per 18 mei 2016 in. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat zij vanwege psychische klachten niet in staat was te werken.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante geen ernstige psychische stoornis had en geschikt was voor haar arbeid werd gevolgd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV-onderzoek onzorgvuldig was en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij ook informatie van de huisarts en praktijkondersteuner is betrokken. Er is onvoldoende bewijs dat appellante op de datum in geding niet in staat was haar arbeid te verrichten. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de Ziektewetuitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd omdat appellante geschikt is voor haar maatgevende arbeid.