ECLI:NL:CRVB:2019:1018
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant meldde zich in 2008 ziek met psychische klachten en ontving een WGA-uitkering, later omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. In 2015 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en een psychiater concludeerden dat appellant niet arbeidsongeschikt was. Het Uwv besloot daarom de WIA-uitkering te beëindigen per 26 maart 2016. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep die wel ziekte vaststelde, maar geen beperkingen voor arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische gegevens van appellant en zijn behandelend psychiater waren betrokken. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische klachten onvoldoende waren erkend en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad stelde vast dat het onderzoek van psychiater Mulder en de verzekeringsarts bezwaar en beroep gedegen en gemotiveerd was, waarbij ook de beperkte ambulante behandeling en het ontbreken van nieuwe medische gegevens werden meegewogen.
De door appellant overgelegde aanvullende medische documenten en verklaringen boden geen aanleiding tot twijfel aan de eerdere conclusies. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; appellant heeft geen recht op WIA-uitkering.