Appellante, werkzaam als vulploegmedewerker, meldde zich in 2005 ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten en ontving vanaf 2007 een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2014 stelde het UWV op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna haar uitkering werd ingetrokken per 12 januari 2015.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit gegrond vanwege onvoldoende motivatie over de medische geschiktheid van de voorbeeldfuncties, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen, waaronder pijnklachten door artrose en bekkenafwijkingen, werden onderschat en dat het psychiatrisch onderzoek onvolledig was.
De Raad benoemde een onafhankelijke neuroloog als deskundige, die concludeerde dat appellante ernstige beperkingen heeft door een lumbale wervelkolomvernauwing en migraine, waardoor zij niet meer dan vier uur per dag kan werken en diverse lichamelijke activiteiten ernstig beperkt zijn. De deskundige achtte een operatie geïndiceerd en vond dat werken zonder deze operatie niet van appellante verlangd kan worden.
De Raad volgde de deskundige omdat diens rapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was, en oordeelde dat het UWV de beperkingen onderschat had, waardoor het besluit in strijd is met artikel 7:12 AwbPro. Het UWV wordt opgedragen het besluit binnen zes weken te herstellen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit tot intrekking van de WIA-uitkering te herstellen wegens onderschatting van de medische beperkingen van appellante.
Uitspraak
16.74 WIA-T
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
1 december 2015, 15/2704 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 maart 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft medische stukken aan de Raad gezonden. Namens het Uwv heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep hierop op 9 september 2016 en 24 oktober 2016 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad het onderzoek heeft heropend.
De Raad heeft dr. J.W. Stenvers, neuroloog, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 24 december 2018 een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht.
Vervolgens hebben partijen op het deskundigenrapport gereageerd.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante was werkzaam als vulploegmedewerker bij een supermarkt voor 32 uur per week. Zij heeft zich op 1 juni 2005 ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. Vanaf 30 mei 2007 ontvangt appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2.
In verband met een herbeoordeling is appellante op 17 oktober 2014 door een verzekeringsarts van het Uwv gezien op het spreekuur. Deze arts heeft op basis van de bevindingen bij eigen onderzoek en een expertiserapport van psychiater W.M.J. Hassing van 1 oktober 2014 geconcludeerd dat appellante is aangewezen op rugsparende en stressarme werkzaamheden. De mogelijkheden en beperkingen voor het verrichten van werkzaamheden zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 oktober 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens in een rapport van 6 november 2014 aan de hand van wat appellante met haar functionele mogelijkheden kan verdienen met de geselecteerde voorbeeldfuncties berekend dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid 0,87% is.
1.3.
Bij besluit van 11 november 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 12 januari 2015 (datum in geding) geen recht meer heeft op een WIA-uitkering omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.
1.4.
Bij besluit van 10 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het bezwaar tegen het besluit van 11 november 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische beoordeling waarop het bestreden besluit is gebaseerd op goede gronden berust. Omdat het Uwv pas in beroep de medische geschiktheid van de voorbeeldfuncties toereikend heeft gemotiveerd, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Appellante heeft herhaald dat het onderzoek van psychiater Hassing onvolledig is en onvoldoende basis biedt om het besluit op te kunnen baseren. Verder heeft appellante aangevoerd dat haar pijnklachten als gevolg van artrose in de nek en heup en bekkenafwijkingen zijn onderschat.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Gelet op de standpunten van partijen en de voorhanden zijnde medische gegevens, waaruit verschil van inzicht blijkt over de ernst van de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen op 12 januari 2015, heeft de Raad aanleiding gezien neuroloog Stenvers als deskundige te benoemen.
4.2.
In zijn rapport heeft de deskundige geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding sprake is van een ernstige vernauwing van de lumbale wervelkolom als gevolg van een röntgenologisch aangetoonde listhesis L5-S1 (verschuiving van de wervellichamen ten opzichte van elkaar van 8 mm) en een lysis (congenitaal niet aangelegde wervelbogen, waardoor verschuiving) met een vernauwing van het wervelkanaal op het niveau L5-S1 tot gevolg. Daardoor heeft appellante klachten passend bij een neurogene claudicatio (syndroom van Verbiest). Daarnaast heeft appellante zes tot acht keer per jaar een migraine aanval. De deskundige kan zich niet geheel verenigen met de door de verzekeringsarts in de FML van
28 oktober 2014 vastgestelde beperkingen. Hij acht appellante niet in staat om meer dan tien minuten te lopen. Verder acht hij appellante ernstig beperkt voor buigen, duwen, trekken, tillen, dragen, klimmen, zitten, staan, geknield en gehurkt actief zijn en voor gebogen of getordeerd actief zijn. Ook acht hij appellante niet in staat om meer dan vier uur per dag te werken. In antwoord op de vraag of hij appellante in uren meer beperkt acht dan de verzekeringsarts heeft aangenomen, heeft de deskundige te kennen gegeven dat hij een operatie in verband met de ernstige lumbale kanaalstenose L5-S1 geïndiceerd acht en dat zolang deze operatie niet heeft plaatsgevonden niet van appellante verlangd kan worden dat zij werkt.
4.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. In het geval van appellante heeft de deskundige, na kennisneming van de gegevens van de behandelende artsen en van de klachten van appellante alsmede na eigen onderzoek, geconcludeerd dat verdergaande beperkingen aan de orde zijn dan door het Uwv aangenomen.
5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het Uwv de medische beperkingen van appellante heeft onderschat met als gevolg waarvan de arbeidsmogelijkheden van appellante op een onjuiste medische grondslag zijn gebaseerd, waardoor het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. In dit geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. Het Uwv wordt met toepassing van artikel 8:51d van de Awb opgedragen het geconstateerde gebrek te herstellen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 10 april 2015 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019.