ECLI:NL:CRVB:2019:1025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante, laatstelijk administratief medewerker, meldde zich in 2010 ziek wegens psychische klachten en ontving een WIA-uitkering vanaf 2012 met 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde in 2015 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar voetklachten en psychische beperkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV adequaat had gereageerd op deze punten, dat de voetklachten niet ernstig waren bevestigd en dat er geen aanwijzingen waren voor cognitieve stoornissen die beperkingen zouden rechtvaardigen.
De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat de functies die appellante kon vervullen binnen haar belastbaarheid lagen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.