ECLI:NL:CRVB:2019:1029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig liftmonteur, viel in maart 2009 uit en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering per 18 februari 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsarts en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als juist werden beoordeeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten, waaronder medicatiegebruik en bijwerkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd die aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien. De Raad onderschreef dat de beperkingen in de FML adequaat waren vastgesteld en dat de belasting van de voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschreed.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Ook werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De WIA-uitkering is derhalve terecht beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.