ECLI:NL:CRVB:2019:1044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid volgens Wet WIA
Appellant was werkzaam als agrarisch medewerker en meldde zich in 2011 ziek. Het UWV stelde in 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. Na een nieuwe ziekmelding in 2015 en medisch onderzoek in 2016, besloot het UWV dat appellant geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd door de rechtbank Rotterdam bevestigd, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en geen aanleiding was voor een onafhankelijke deskundige.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over het ontbreken van actuele medische informatie, onvoldoende weging van klachten en medicatiegebruik, en vroeg om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met alle relevante medische gegevens betrokken. De verzekeringsartsen hielden rekening met lichamelijke en psychische klachten en medicatiegebruik en motiveerden waarom deze niet tot een andere beoordeling leidden.
De Raad bevestigde dat appellant geschikt is voor de maatgevende arbeid, namelijk de functie van productiemedewerker industrie. Een verslechtering van de gezondheid na de datum in geding werd buiten beschouwing gelaten. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.