ECLI:NL:CRVB:2019:1048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens niet verschijnen bij verzekeringsarts en verblijf in buitenland
Appellante meldde zich ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Zij verbleef in het buitenland en werd opgeroepen voor medische spreekuren op 1 en 19 juni 2015, maar verscheen niet. Pogingen tot afmelding via onjuiste kanalen faalden, en zij gebruikte niet het daarvoor bestemde telefoonnummer. Het UWV beëindigde daarop de uitkering wegens het niet meewerken aan het noodzakelijke onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij geen geldige reden had voor het niet verschijnen en dat de medische situatie niet aannemelijk maakte dat reizen onmogelijk was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet nodig was, dat zij al een ZW-uitkering had, en dat zij wegens ziekte en onveiligheid in Afghanistan niet kon reizen. Zij overhandigde een brief van een specialist en stelde dat oproepen niet tijdig werden ontvangen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de uitkering introk omdat appellante niet voldeed aan haar medewerkingsplicht en niet tijdig afmeldde via het juiste nummer. Het verblijfadres was niet doorgegeven, waardoor zij zelf verantwoordelijk was voor het niet ontvangen van oproepen. De Raad verwierp het verweer dat het onderzoek niet nodig was en concludeerde dat er geen dringende reden was om van intrekking af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens het niet verschijnen bij het medisch onderzoek en het niet tijdig afmelden.